User:Joost26/sandbox

From Wikipedia, the free encyclopedia
Jump to: navigation, search

Massapsychologie is een specialisatie binnen de sociale psychologie. Zij grenst aan, en overlapt deels, met de specialisatie collectief gedrag binnen de sociologie. Ze is tevens uiterst relevant voor economische wetenschappen en politieke wetenschappen, voor communicatiewetenschappen en de organisatiewetenschappen.

Inleiding[edit]

Massa- en collectief gedrag zijn ook uit de biologie en ethologie bekend, bijvoorbeeld bij een nl:kudde runderen, een zwerm vogels, een school vissen, of een nest insecten. Massapsychologie en sociologie van collectief gedrag bij mensen houden zich bezig met alternatieve of onconventionele vormen van interactie die binnen grote groepen kunnen doorbreken, soms snel en vaak slechts tijdelijk.

Daarbij wordt wel een onderscheid gemaakt tussen twee tot vier nivo’s. Enerzijds is er de ‘zichtbare’ of fysiek verzamelde massa, zoals een menigte of een verzameld publiek; anderzijds de ‘onzichtbare’ of slechts psychologisch verbonden massa, zoals het publiek van media en of een stroming binnen de publieke opinie. Daartussenin ligt nog een derde vorm, van mensen die elkaar soms of deels in levenden lijve ontmoeten, maar soms ook niet: die van vroege sociale bewegingen. In het verlengde hiervan zijn er tenslotte beschouwingen over de ‘massamens’, de media- en internet-maatschappij, waarin individuen enerzijds geïsoleerder lijken, maar anderzijds op nieuwe manieren massaal kunnen interacteren.

Typisch massapsychologisch en collectief gedrag speelt een rol bij zulke uiteenlopende verschijnselen als de beurskrach, de boycot, het broodjeaapverhaal, een plotselinge economische crisis, het gerucht, massale paniek of rouw of verontwaardiging, de media hype, een mode, een zogehelen morele paniek, protest, een rage, een rel, een roddel, een schandaal, een sekte, en zo meer. Hun belangrijkste gezamenlijke kenmerk is dat ze betrekkelijk onverwacht kunnen opkomen, zich verpreiden en weer verdwijnen. Ze zijn complex en dynamisch, vaak moeilijk trefzeker te meten, te voorspellen en beheersen. Zowel research als management worden daardoor bemoeilijkt. Vaak wordt hun vorm en verloop mede bepaald door de opkomst van één overheersend gevoel of stemming (bijv. van vreugde, woede of angst), dat later weer kan vervluchtigen.

Voorgeschiedenis[edit]

Denkers uit alle culturen, en van de Oudheid tot aan de Verlichting, hebben al uitspraken gedaan over de schijnbare eigenaardigheden van massagedrag. In de moderne tijd waren het vooral de rellen tijdens de Franse Revolutie van 1789, van daarna en elders, die verder aanleiding gaven tot dergelijke beschouwingen. Soortgelijke opvattingen klinken ook door in veel uitvoerige beschrijvingen van massascènes in grote sociale en historische romans van de negentiende eeuw.

Aanvankelijk werden verklaringen als gisting en besmetting vooral ontleend aan de biologie en geneeskunde, vervolgens hypnose en suggestie aan de psychiatrie, en tenslotte imitatie en interactie aan de psychologie en sociologie. De geboorte van de subdiscipline massapsychologie als zodanig kan worden gedateerd op de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs, ter gelegenheid van het eeuwfeest van de eerdergenoemde Franse revolutie. Met name tijdens een eerste international congres over de zogenoemde ‘criminele antropologie’ (lees: criminologie), waar onder meer massale excessen bij rellen besproken werden, die bij volgende congressen steeds centraler kwamen te staan. Een aanleiding werd ook gevormd door de heroprichting van de Socialistische Internationale voor arbeiders bij diezelfde gelegenheid, wat vanaf het volgende jaar wereldwijd leidde tot massale stakingen en demonstraties op de nieuw ingestelde Dag voor de Arbeid, die de burgerij van de juist gestabiliseerde staten een ongemakkelijk gevoel gaf.

De eerste reeks bijdragen tot de massapsychologie kwam vooral uit Frankrijk en Italië, en wordt daarom wel omschreven als de ‘Latijnse’ of ‘Romaanse’ school: Scipio Sighele, Gabriel Tarde, Henri Fournial, en tenslotte Gustave Le Bon. Vooral het laatste populariserende werk had veel invloed op politieke leiders van de vroege twintigste eeuw, met name van fascisme en nationaal socialisme, maar ook van communisme en democratie. Vanuit de Groot Britannië kwamen gedachten over de rol van evolutie, instinct en met name kudde-instinct daarbij, bijvoorbeeld bij William McDougall en Wilfred Trotter. Vanuit de Duitstalige wereld kwamen er beschouwingen vanuit de psychoanalyse: bij Sigmund Freud, Carl Gustav Jung en Wilhelm Reich. En tenslotte vanuit het werk van de zogenoemde Frankfurter Schule, dat later in de VS bijdroeg tot opvattingen over de rol van ‘the authoritarian personality’ bij volgelingen.

Inmiddels was toen overigens binnen de Amerikaanse sociologie van Robert Park, en het ‘symbolisch interactionisme’ van Herbert Blumer, een complementaire reflectie over collectief gedrag op gang gekomen. Die legde onder meer de nadruk op het ontstaan van een ‘nieuwe collectieve definitie van de situatie’ en andere norm voor gedrag, op de verschillende fasen waarin die ‘natuurlijkerwijs’ zich verder ontwikkelden. Maar ook op spontane differentiatie in de rol van verschillende betrokkenen, het belang van een symbool en zo meer.

Theoretische benaderingen[edit]

De centrale vragen binnen de massapsychologie zijn altijd geweest: hoe het komt dat mensen zich in (vooral opgewonden) massa’s anders lijken te gaan gedragen dan erbuiten, hoe het komt dat dit gedrag bovendien van buiten zo uniform lijkt, en welke rol spelen emoties daarbij. Vanuit de sociologie is allereerst onder meer de theorie van convergentie geopperd. Daarin wordt geconstateerd dat mensen die aan massagedrag gaan deelnemen vaak al op voorhand enigszins overeenkomstige achtergronden en verwachtingen hebben, of allen eerdere voorbeelden kennen waaraan zij zich spiegelen.

Vanuit de psychologie is ten tweede onder meer de theorie van ‘deindividuation’ geopperd, over het ‘opgaan’ van enkelingen in zo’n groep. Die identificeert in een typische massasituatie (bijvoorbeeld bij een rel) verschillende factoren. Ten eerste veranderingen in de mentale ‘input’: bijvoorbeeld overbelasting van de zintuigen, onvermogen om nog individuen te onderscheiden binnen het diffuse geheel. Vervolgens veranderingen in de mentale ‘throughput’: bijvoorbeeld verminderd vermogen om het gedrag van anderen nog kritisch te evalueren, versterkte focus op het ‘hier en nu’. En tenslotte veranderingen in de mentale ‘output’: bijvoorbeeld bij grensoverschrijdend gedrag.

Vanuit de nieuwe metatheorie van het ‘complex adaptief systeem’, waarbinnen chaos en alternatieve vormen van orde elkaar afwisselen, is ten derde een theorie over emergentie geopperd. Zij gaat in op het ontstaan van synergie binnen de massa, de opkomst van een nieuw patroon, de mogelijke verzelfstandiging daarvan, de rol van een snel veranderende context. De overschrijding van een kritische drempel daarbij, het ontstaan van nieuwe ontwikkelingspaden (zoals polarisatie), en zelfs het intreden van kwalitatief andere toestanden door zogeheten faseovergang (ondergemiddelde reactiviteit wordt bijvoorbeeld bovengemiddelde reactiviteit).

Massapsychologie in de Lage landen[edit]

Perswetenschap, publieke opinie en massapsychologie werden kort voor de Tweede wereldoorlog vanuit Duitsland naar Nederland meegebracht door de balling Kurt Baschwitz, die belangrijke studies publiceerde als Denkend mens en menigte (1940), en Heksen en heksenprocessen (1964) over heksenjachten. Hij werd na de oorlog hoogleraar aan de nieuw opgerichte ‘zevende’ faculteit voor politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.

Uit zijn erfenis ontstond enerzijds het Instituut voor perswetenschap, later geëvolueerd tot de Afdeling Communicatiewetenschappen. En anderzijds vanaf midden jaren zestig het instituut (‘seminarium’) voor Massapsychologie, Openbare mening en Propaganda. Dat werd later nog even Baschwitz Instituut voor Collectief Gedrag genoemd, alvorens het midden jaren tachtig opging in de Sectie Publieksstudies van de voornoemde grote nieuwe afdeling Communicatiewetenschappen. Het kleine instituut bracht een dozijn dissertaties over nieuwe onderwerpen voort: o.a. over publieke opinie (Marten Brouwer, Harm ’t Hart, Arie den Boon, Connie de Boer), over media (Saskia Tellegen over lezen en boeken, Ben Manschot over kijkers en omroepen), en over massapsychologie (Hans van der Brug, Jaap van Ginneken).

Maar ook aan andere universiteiten kwamen massapsychologische onderwerpen bij gelegenheid aan de orde. Aan de Universiteit Leiden promoveerde C.H. Boef op een proefschrift over de Amerikaanse ‘collectief gedrag’ benadering. Aan de Rijksuniversiteit Groningen hield Hans van de Sande zich onder meer bezig met menigten, ‘crowd management’ en ‘crowd control’, voetbalrellen en hooligans. Vanuit de Vrije Universiteit en Nyenrode hield voormalig bankier Marius van Nieuwkerk zich onder meer bezig met financiële crises en zeepbellen. Aan de Universiteit Gent in Vlaanderen hield Helmut Gaus zich op zijn beurt onder meer bezig met paralelle golfbewegingen in conjunctuur en mode.

Zie ook[edit]

Verder lezen (Nederlands)[edit]

  • Baschwitz, Kurt (1973). Denkend mens en menigte – De massapsychologie en het gedrag van de massa: de lijdzame meerderheid en de gewelddadige minderheid. Den Haag: Mouton.
  • Baschwitz, Kurt (1981). Heksen en heksenprocessen. Amsterdam: Arbeiderspers.
  • Boef, C. (1984). Van massapsychologie tot collectief gedrag. Leiden: Univ. (Diss.).
  • Canetti, Elias (1960). Massa en macht. Amsterdam: Athenaeum/ Polak & Van Gennep.
  • Cialdini, Robert (2001). Invloed. Den Haag: Sdu/ Academic service.
  • Freud, Sigmund (z.j.). Het Ik en de psychologie van de massa. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Gaus, Helmut (1992). Mensen en mode – De relatie tussen kleding en conjunctuur. Leuven: Garant.
  • Ginneken, Jaap van (1993). Rages en crashes – Over de onvoorspelbaarheid van de economie. Bloemendaal: Aramith.
  • Ginneken, Jaap van (2000, 2e ed.), Brein-bevingen – Snelle omslagen in opinie en communicatie. Amsterdam: Boom.
  • Ginneken, Jaap van (2009). De kracht van de zwerm – Zelfsturing in de organisatie. Amsterdam: Business Contact.
  • Ginneken, Jaap van (2012). Het enthousiasme virus – Hoe gevoelens zich explosief verspreiden nu iedereen on-line is. Amsterdam: Business Contact.
  • Gladwell, Malcolm (2000). Het omslagpunt – Hoe kleine dingen een groot verschil maken. Amsterdam: Contact.
  • Heath, Chip & Heath, Dan (2007). De plakfactor – Waarom sommige ideeën aanslaan en andere niet. Amsterdam: FT Prentice Hall.
  • Nieuwkerk, Marius van & Croeze, Cherelt (red., 2008). Bubbels – Spraakmakende financiële crises uit de geschiedenis. Arnhem: uitg. Sonsbeek.
  • Reiwald, Paul (1951). De geest der massa. Bussum: Kroonder.
  • Rosen, Emanuel (2001). Van horen zeggen – De werking van buzz-marketing. Alphen aan de Rijn: Kluwer.
  • Surowiecki, James (2006). Twee weten meer dan een – Waarom het beter is groepsbeslissingen te nemen. Amsterdam: Business Contact.
  • Vasterman, Peter (2004). Mediahype. Amsterdam: Aksant (proefschrift).

References[edit]

Externe links[edit]

Engels: http://en.wikipedia.org/wiki/Crowd_psychology J. van Ginneken: http://en.wikipedia.org/wiki/Jaap_van_Ginneken J.P. van de Sande: http://www.vandesandeinlezingen.nl/serv03htm